Een man met brede zwarte hoed en geborduurd vest blaast op een lange versierde fujara met een apart blaaspijpje.

Erfgoed en tradities

Volkstradities in Slowakije: fujara, dracht en festivals

Gepubliceerd 8 juli 2026

Foto: Palo Čepček · CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De fujara, een herdersfluit van 160 tot 200 centimeter, staat sinds 2005 op de UNESCO-lijst van immaterieel erfgoed. Dat is het bekendste voorbeeld van een volkscultuur die in Slowakije niet is opgeborgen in musea maar nog wordt beoefend, op bruiloften, in dorpsverenigingen en op festivals die al sinds de jaren vijftig bestaan.

Een fluit van twee meter

De fujara is een overblaasfluit met drie vingergaten. De hoofdbuis is 160 tot 200 centimeter lang; daarnaast loopt een kortere buis van 50 tot 80 centimeter waardoor de speler blaast. Die constructie is te zien op de foto boven dit artikel: het instrument staat naast het gezicht, en het mondstuk zit op het kleine pijpje.

Door die lengte klinkt het instrument in het lage register brommend, terwijl de speler in de hoge boventonen melodieën kan spelen. Dat samengaan van diepe grondtoon en hoge boventonen is wat de fujara zijn eigen klank geeft.

Het instrument komt uit Midden-Slowakije, uit de streek rond Detva en Poľana, en hoort bij de herdersstand. UNESCO nam het in 2005 op in de lijst en bevestigde die inschrijving in 2008.

De fujara is bovendien een voorwerp. De buizen worden versierd met ingebrande en gekerfde patronen, elk stuk anders, en een goed instrument is evenzeer een houtsnijwerk als een muziekinstrument.

Dracht die per dorp verschilt

Slowaakse klederdracht is geen nationaal kostuum maar een verzameling van tientallen streek- en dorpsdrachten, elk met eigen snit, borduursel en kleuren. Een Slowaak kan aan een dracht meestal zien uit welk gebied hij komt.

De hoofdtooi van gehuwde vrouwen, de čepiec, is daarbij het meest sprekende onderdeel. Kant, kralen en borduursel verschillen per streek, en de manier waarop het haar eronder wordt opgemaakt eveneens.

De patronen zijn niet bij het erfgoed gebleven. De witte ornamenten uit Čičmany zijn uitgegroeid tot een landelijk symbool en zijn gebruikt op de tenues van Slowaakse olympische ploegen.

Dracht wordt nog gedragen, maar op bepaalde momenten: bruiloften, kerkelijke feesten, processies en festivals. Het is familiebezit dat wordt doorgegeven, geen kostuum dat voor bezoekers wordt aangetrokken.

De festivals

Het oudste en grootste folklorefestival van het land wordt gehouden in Východná, een dorp in het district Liptovský Mikuláš, sinds 1953, elk eerste weekend van juli. Er treden ensembles op uit het hele land en uit het buitenland, met muziek, dans, ambacht en dracht.

Het tweede weekend van juli is aan Detva, met de Podpolianske slávnosti, het festival onder de Poľana. Dat is de streek van de fujara, en het festival is minder op het podium gericht en meer op de dorpen eromheen.

Dat deze festivals uit de jaren vijftig stammen, is niet zonder betekenis. De communistische overheid stimuleerde volkscultuur actief, mits die in de juiste vorm werd gepresenteerd. Wat als staatsprogramma begon, is na 1989 blijven bestaan als iets van de deelnemers zelf.

Er zijn tientallen kleinere festivals, in vrijwel elke streek. Die zijn vaak interessanter dan de grote: minder podium, meer dorp.

Bacs, brynza en het herdersjaar

De volkscultuur van Midden-Slowakije hangt samen met de schapenhouderij in de bergen. Het herdersjaar begon in het voorjaar met het opdrijven van de kudden naar de hoge weiden en eindigde in het najaar met de terugkeer.

De bača, de hoofdherder, stond aan het hoofd van de salaš, de zomerse schaapskooi, waar de melk tot kaas werd verwerkt. Uit die traditie komt bryndza, de zachte schapenkaas die sinds 2008 als Slowaakse bryndza een beschermde geografische aanduiding heeft in de Europese Unie.

Een aantal salaše is nog in bedrijf en verkoopt kaas aan de weg. Dat is de meest directe manier om deze traditie tegen te komen: niet op een podium maar bij een houten schuur langs een bergweg.

De herdersmuziek hoort bij dat leven. De fujara werd gespeeld op de weide, met veel tijd en weinig publiek, en dat is aan de muziek te horen: lange, trage stukken zonder duidelijk einde.

Wat u kunt zien zonder festival

Buiten de festivalweekenden zijn er openluchtmusea, de skanzeny. Het museum van Zuberec in Orava, dat van Martin en dat bij Bardejovské Kúpele zetten gebouwen uit de streek bij elkaar, inclusief kerken, schuren en werkplaatsen.

In Detva staat een museum over de fujara, en er zijn houtsnijders die instrumenten maken en die u kunt bezoeken. Een fujara kopen is mogelijk; de prijs van een goed handgemaakt instrument loopt in de honderden euro's.

Op de begraafplaats van Detva staan houten grafkruisen met gesneden ornamenten die tot dezelfde beeldtaal horen als de instrumenten en de borduursels. Dat is een stille plek en het is geen bezienswaardigheid in de gebruikelijke zin, maar wie de patronen wil begrijpen, ziet ze hier in hun oorspronkelijke functie.

Ambachten die nog worden uitgeoefend

Naast muziek en dracht is er een reeks ambachten die in Slowakije niet zijn verdwenen. Het bekendste is de blauwdruk, modrotlač, waarbij stof met een houten stempel wordt bedrukt en daarna geverfd, zodat het patroon wit blijft. Die techniek staat sinds 2018 op de UNESCO-lijst voor immaterieel erfgoed, samen met een aantal andere Europese landen.

De keramiek van Modra is een tweede, met haar herkenbare blauwe en gele patronen op wit. De pottenbakkerij daar bestaat sinds de zeventiende eeuw en er wordt nog met de hand gedraaid en beschilderd.

Houtsnijwerk, kantklossen en het maken van draadwerk, drotárstvo, horen in hetzelfde rijtje. Dat laatste is een Slowaakse specialiteit: rondtrekkende ambachtslieden repareerden gebarsten aardewerk met een omhulsel van draad, en dat groeide uit tot een decoratieve kunst op zichzelf.

ÚĽUV, het centrum voor volkskunstnijverheid, heeft winkels en werkplaatsen in Bratislava, Banská Bystrica en Košice. Dat is de betrouwbaarste plek om te zien wat er nog wordt gemaakt, en om iets te kopen dat niet in een fabriek is gemaakt.

Veelgestelde vragen

Wanneer zijn de grote folklorefestivals?
Východná in het eerste weekend van juli, Detva in het tweede. Beide bestaan sinds de jaren vijftig; Východná sinds 1953.
Kan ik een fujara kopen?
Ja, bij houtsnijders in de streek rond Detva. Een goed handgemaakt instrument kost enkele honderden euro's.
Is klederdracht nog in gebruik?
Ja, bij bruiloften, kerkelijke feesten en festivals. Het is familiebezit dat per dorp verschilt, geen kostuum voor bezoekers.
Lees ook